| Het kerkgebouw is een neogotische zaalkerk met een smaller, veelhoekig gesloten koor en
een dakruiter op de gevel, onder zadeldak met leien gedekt. |
|
| De architect is tot dusver onbekend, gebouwd in 1865, het torentje is verhoogd in 1919-1920. |
|
Sobere baksteenbouw met enige natuursteen in de traceringen.
Het schip telt 5 traveeën, het koor heeft twee vakken en een 5/10 sluiting,
waarbij een der vakken met afgeschuinde wanden overloopt in het schip. |
travee: gewelfveld |
Het schip en koor hebben versneden steunberen en tweedelige
spitsboogramen.
Onder de goten een zigzag lopende baksteenlijst.
De voorgevel heeft hoeklisenen en een klimmend spitboogfries. |
liseen: vooruitspringende verticale muurband
fries: al dan niet versierde horizontale band |
| Een middenrisaliet suggereert een ingebouwde toren met twee
spitsbogige galmgaten en een van vier tot achtkant overgaande spits. |
risaliet: vooruitspringende partij van een gevel |
| Links en rechts van de in de risaliet geplaatste ingang met nis en H.
Hartbeeld tweedelige spitsboogramen. |
|
| Links en rechts van het koor nevenruimten onder zadeldaken. |
|
|
Het interieur is volledig gepleisterd en heeft een stucgewelf op
geprofileerde kolonetten. |
kolonetten: smalle kolommen/zuilen |
| Een kruisgewelf in het schip is uitgevoerd met zeer merkwaardige en
zeldzame "hangende sluitstenen". Hierdoor ontslaat als het
ware de indruk dat uit een driebeukige hallekerk de pijlers weggelaten
zijn . |
|
| De schuine koormuur biedt plaats aan de zij-altaren. |
|
|
In de kerk staan neogotische banken, een biechtstoel en twee
altaarretabels (alles uit de laatste kwart van de 19e eeuw) met
beelden van Maria (ca 1870) en Willibrordus (ca 1880) en een
missiekruis (1868). |
|
| In de koorafsluiting drie ramen met geboorte, calvariegroep en Pinksteren
door W. Derix uit Goch. |
|
|
De orgeltribune heeft een neogotische balustrade, waarin een
Davidsfiguur met gesneden festoenen. |
festoen: guirlande |
| Op de tribune staat het front uit 1800 van het vroegere van
Peteghemorgel uit Terheijden, waarin cin a 1930 een mechanisch orgel uit
ca 1850 is geplaatst. |
|
| Het front heeft drie halfronde pijpetorens waartussen telkens twee vlakke
velden. |
|
| De preekstoel uit eikenhout staat op een ijzeren voet. Het is
Antwerps werk (eind 18e eeuw) met een vroeger hangende kuip waarop
medaillons met bustes van Jezus, Maria en Jozef (?) tussen voluten.
Het klankbord met lambrequins en geestesduif is afkomstig uit
Zevenbergschenhoek.
De ijzeren voet stamt van de restauratie in de jaren '60. |
voluten: krullen
lambrequin: over de rand geplooide
versiering |
Het kerkgebouw vertegenwoordigt de stucadoorsgothiek met
uitzonderlijke toepassing toepassing van gewelfvormen en is verder van
belang wegens de fraaie inventaris.
Het is een markant onderdeel van het dorpssilhouet, en typerend voor de
aarzelende opkomst van de katholieken in deze streek.
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|