Korte geschiedenis van het orgel

Voor een uitgebreide beschrijving van het orgel: klik hier.
Haast vanaf het begin van haar bestaan is de St. Willibrorduskerk (gebouwd in 1865) in het bezit geweest van een kerkorgel. In 1867 namelijk werd van de R.K. kerk in Terheijden een orgel overgenomen, dat de beroemde Belgische orgelbouwer Lambert van Peteghem aldaar in 1800 gebouwd had. Van dit orgel is nu alleen het mooie front nog aanwezig in de kerk.
In 1930 immers werd het van Peteghem-orgel letterlijk achter het front “afgezaagd” (waarom is onduidelijk) en vervangen door een ander orgel, afkomstig uit de Annakerk te Breda. Deze parochie had dit orgel in 1905 tweedehands aangeschaft van de orgelbouwers gebr. Franssen uit Roermond. De overplaatsing naar Hooge Zwaluwe in 1930 werd verricht door de orgelbouwers Valckx & van Kouteren uit Rotterdam.
Het orgel werd tussen 1930 en 1986 niet gewijzigd en haast wekelijks gebruikt. Vanaf 1960 werd het orgel niet meer onderhouden of gestemd. De windlade ging lekken en het orgel functioneerde steeds slechter. De mechaniek vertoonde gebreken en in de panelen van de orgelkas zat veel houtworm.
Een restauratie werd noodzakelijk. Deze werd uitgevoerd door M.C. Tiggelman orgelbouw b.v. uit Zaltbommel in de jaren 1986-1988. De dispositie is hierbij ongewijzigd gebleven, maar de samenstelling van de mixtuur is veranderd, zodat deze beter mengt in prestantenkoor en plenum.
Daarnaast heeft het orgel een achterwand en dak gekregen, en zijn alle panelen van de kas vervangen, dit in verband met houtworm. Timmerbedrijf H. Krijnen te Hooge Zwaluwe tekende voor deze werkzaamheden. Het beitswerk werd “in eigen beheer” verricht.
Uit het Orgelarchief.
In het kerkelijk archief is correspondentie over het orgel terug te vinden.
Hier een samenvatting van de beschikbare documenten.
Met dank aan mevr. Loes Karremans, Hooge Zwaluwe, voor het uitsorteren van
de betreffende documenten in het kerkelijke archief.
Een dure organist.
In juni 1922 kreeg het Kerkbestuur een probleem.
De organist ging trouwen en vestigde zich "op een uur afstand te
Terheijden". Het Kerkbestuur vreesde "zonder eenig vooruitzicht in de
toekomst den orgel tijdens de H. Diensten te zullen moeten missen".
Maar er was een oplossing: de organist wilde in Hooge Zwaluwe in functie
blijven, "mits zijn salaris met de te verstrekken moeite en verlet worde in
overeenstemming gebracht".
Hij genoot fl. 80,- plus de emolumenten van de zingende missen bij overlijden en
huwelijk "wat uit den aard der zaak alhier niet hoog beloopt". Hij
stelde een vast salaris, zonder emolumenten, voor van fl. 275,-.
Het Kerkbestuur vraagt de bisschop van 's Hertogenbosch goedkeuring aan dit
voorstel te verlenen "aangezien de organist voor den goeden gang van het
koor en voor den luister der godsdienstoefeningen onmisbaar is en op andere
wijze niet te vervangen".
Op 27 juni 1922 stemt de bisschop in met het voorstel "mits dit salaris uit
de gewone inkomsten kan gevonden worden, terwijl de emolumenten, tot nu toe
bestemd voor den organist, voortaan in de kerkekas zullen vloeien.
Een ander orgel
In 1922 functioneerde het van Peteghem orgel nog tot tevredenheid. In 1930
was dat kennelijk niet meer het geval. Waardoor? Dat is niet duidelijk.
Het Kerkbestuur ging echter op zoek naar een ander orgel. De bisschop van den
Bosch had toestemming verleend om in onderhandeling te treden met de pastoor van
de St. Annakerk in Breda over de aankoop van het orgel in die kerk. Prof. dr.
A. Smijers, hoogleraar muziekgeschiedenis te Utrecht, hielp daarbij.
De onderhandelingen hadden tot resultaat dat het orgel door Orgelbouwer
Valckx te Rotterdam zou kunnen worden overgeplaatst naar Hooge Zwaluwe en van
een nieuwe motor en een nieuw register worden voorzien. De totale kosten,
inclusief bijkomende kosten van timmerman, elektricien, smid, schilder en
honorarium prof. Smijers, zouden uitkomen op fl. 2250,-.
"Ter tegemoetkoming in de kosten" heeft het bestuur een
"beroep ...gedaan op de mildadigheid der parochianen met gevolg, dat in
geld fl. 775,- werd gecollecteerd en bovendien door den heer H. Francois (oud 67
jaar) en echtgenote (oud 55 jaar) een stuk effect van fl. 1000,- Gesticht
Simpelveld à 5% werd aangeboden onder de volgende bezwarende voorwaarden:
a. tot den vervaldag die den dood van de(n) laatste voorafgaand blijven zij de
volle 5% intrest genieten;
b. na den dood van de(n) eerste moeten 50 H.Missen gelezen worden en dienovereenkomstig
de rente volgens vermindering van de hoofdsom berekend worden."
Het bestuur vraagt de bisschop goedkeuring om aldus te handelen. Daarbij de
vraag om, ter aanvulling van de fl. 775,-, in 1930 ontslagen te worden "van
de verplichting der jaarlijkse aflossing voor zoover noodig op kerk en
schoolhuis".
De Bisschop verleende goedkeuring op 5 maart 1930. Daarbij merkte hij op dat
het stipendium der H.H. Missen zal zijn het stipendium diocesaan, thans fl. 2,50
of fl. 1,50 naar gelang de H.H. Missen in Hooge Zwaluwe worden gelezen of naar
elders mogen verzonden worden".
Het orgel uit de St. Annakerk te Breda werd vervolgens geplaatst in de H.
Willibrorduskerk te Hooge Zwaluwe.
Oorlogsschade en -herstel
De 2e wereldoorlog liet in Hooge Zwaluwe zijn sporen na. Ook de kerk werd
getroffen. En het orgel leed ook door het geweld.
Dr. de Bruijn van de Kath. Klokken- en Orgelraad (KKOR) werd om advies
gevraagd, toen bij de schoonmaak van het orgel was geconstateerd dat de schade
moest worden aangepakt. Hij adviseert de orgelbouwer een opgave "van wat
hij naar geweten meent te moeten zetten onder het hoofd oorlogsschade en wat
niet- en dan van beiden opgave" te vragen. "In zoover het repareeren
etc gevolg is van den oorlog kunt U de kosten als oorlogsschade declareeren.
Maar bijv het opnieuw bevilten van de pedaaltoetsen is geen oorlogsschade."
Electr. Kerk en Concertorgelfabriek Valckx & van Kouteren uit Rotterdam
maakte een rapport "betreffende den aard der gebreken aan Uw
kerkorgel, alsmede een overzicht in hoeverre deze gebreken ons inziens zijn
ontstaan ten gevolg van uiterlijk geweld." Daarbij een begroting voor het
eventuele herstel van het orgel. Zijnde fl. 4250,-, waarvan fl. 2200,- voor de
gevolgen van oorlogsgeweld.
"Gezien de aanzienlijke kosten welke met een behoorlijke restauratie van
het orgel gemoeid zijn terwijl het dan altijd nog een één-klaviers orgel
blijft met aangehangen pedaal, zouden wij beleefd in overweging willen geven om
een nieuw orgel te doen bouwen, met gebruikmaking van het pijpwerk en de
windmachine uit Uw bestaande orgel, en dan te verdeelen over twee klavieren en
vrij pedaal.
In verband met de beschikbare ruimte op het Zangkoor kan het slechts een klein
orgel worden, toch van voldoende grootte en klankvolume voor U kerk."
Dr. de Bruijn van KKOR keurt de opgave goed op 28 september 1949. Hij merkt
daarbij op:"Een nieuw orgel kost U enorme sommen: zeker komt U dan op meer
dan 13.000 gulden.
Jammer is eigenlijk, dat er van uw orgel nog zooveel over is- als er zoo weinig en slechts goed van over was, dat de bouwer het ondeugdelijk gevonden had, dan
zou de Staat U een nieuw orgel bijna geheel betaald hebben. Maar als dit orgel
werkelijk goed herzien wordt, is het toch een mooi werkje en voor uw kerk
goed."
Op 21 januari 1950 wordt het contract getekend tussen Valckx & van
Kouteren en het kerkbestuur, ter grootte van fl. 4398,75 voor de restauratie van
het orgel. Belangrijkste onderdelen van het restauratiewerk:
- demontage van het orgel, leder van pulpeten vervangen, ventielkleppen
opnieuw belederen en bevilten, koperdraad vernieuwen
- lekkages aan de blaasbalg verhelpen
- mechaniek reviseren
- vermolmd pedaalklavier vervangen door nieuw pedaal, vervaardigd van
eikenhout
- pijpwerk grondig reviseren
- windmachine grondig schoonmaken
- monteren van het orgel en opstellen, opnieuw intoneren en stemmen.
Op 26 augustus 1950 is het werk voltooid. Van de kosten zullen fl. 2200,- als
oorlogsschade worden vergoed. Hoe de rest van de financiering is verlopen is
niet duidelijk.
Alweer een restauratie?
In 1967 trekt orgelbouwer B. Pels aan de bel. Het orgel is de "laatste
jaren gedegradeerd tot wat wij noemen "het orgel bespeelbaar
houden"". "Het orgel is ontstellend vuil, waardoor vooral
de pijpen hebben te lijden. De berken triplex panelen van de kast werden
opgegeten door houtworm. Het mechaniek verkeert in slechte staat, o.a. door
ruimte inde draaipunten van toets en registertractuur veroorzaakt door
slijtage."
De kosten van een restauratie zijn totaal fl. 5360,-.
Die kosten vindt het kerkbestuur nogal hoog. Zou een electronisch orgel niet
beter kunnen worden aangeschaft en het oude orgel weggedaan?
De heer Kuypers van de Nederlandse Sint-Gregoriusvereniging reageert op deze
vraag op 29 juli 1967.
"Uw eerste reactie "weg met dat ding" kan ik begrijpen gezien
het feit dat u voor kosten komt te staan; echter het aanschaffen van een "electronisch
geval" is wel het ergste wat u kunt doen: u krijgt hier waarschijnlijk zelf
spijt van en ik heb de indruk dat uw eventuele opvolger u dit nooit zal
vergeven." De heer Kuypers stelt voor om eerst maar het orgel te laten
bekijken door een deskundige van de KKOR en dan pas een besluit te nemen.
J.J. van der Harst reageert namens KKOR op 19 januari 1968:
"De staat waarin Uw orgel verkeert is niet zo rooskleurig. Het is aan een
grondige revisie toe. Mechaniek, laden en pijpwerk hebben dit nodig, echter het
meest noodzakelijk is een andere oplossing voor de orgelkas, of liever gezegd:
het getimmerte dat hiervoor doorgaat. Immers, achter het fraaie, laat achttiende
eeuwse front houdt het goede werk op en bevindt zich een schotwerk van slechte
kwaliteit triplex waarin de houtworm welig tiert, verder is van een afdekking
geen sprake, waardoor stof en vuil vrij toegang hebben tot pijpwerk en andere
kwetsbare delen."
Hij stelt voor samen met orgelbouwer Pels één en ander nog eens te
bekijken.
Of het kerkbestuur op dit voorstel is ingegaan, is onduidelijk.
Waarschijnlijk niet, want in 1970 schrijft pastoor Verhoeven dat het
kerkbestuur, in overleg met het bisdom, besloten heeft het orgel weg te doen.
Aan orgelbouwer Valckx wordt gevraagd of er nog interesse bestaat " voor
het goede dat nog in het oude orgel te vinden is." Deze antwoordt dat
alleen het voorfront nog waarde heeft. Hij heeft nog een klein pijporgel voor
fl. 5000,- beschikbaar. "Dat houdt meer waarde dan een electronisch orgel."
In 1974 wordt bisschop Ernst van Breda toestemming gevraagd voor de aanschaf
van een electronisch orgeltje voor omstreeks fl 2000,-. Dit vanwege de slechte
toestand van het kerkorgel en "dat de kosten van herstel zo hoog
zijn, dat er vermoedelijk binnen overzienbare tijd niets van komt. Daarnaast
stelt het jongerenkoor een electronisch orgel erg op prijs."
De bisschop geeft toestemming, want de kosten zullen worden betaalt middels
acties.
In 1976 stuurt het Provinciaal Genootschap van Kunsten en Wetenschappen in
Noord-Brabant een present-exemplaar van het boek van F. Jespers "Brabants
orgelbezit". Daarin wordt ook het orgel van de Willibrorduskerk besproken.
Dat brengt enige tijd later het kerkbestuur op een idee (misschien mede beïnvloed
door de acties rondom de restauratie van de Ned. Hervormde kerk in Hooge
Zwaluwe) . Kan het orgel niet op de monumentenlijst komen? Dan is er wellicht
een mogelijkheid tot monumentensubsidie. Stuwende kracht was pastoor
Theeuwes, samen met dirigent/organist Ton Stevens en Kiki van Passel,
secretaresse van het parochiebestuur.
In 1984 gaat een brief naar de heer F. Jespers met verwijzing naar zijn boek.
Zou het orgel op de monumentenlijst kunnen komen?
Frans Jespers is in 1979, samen met Ad van Sleuwen, in de kerk geweest om het
orgel uitgebreid te beschrijven. Hij weet
dus waarover het gaat.
De samenvattende reactie van de heer Jespers valt niet mee:
"...dat van het voormalige orgel van Terheijden, dat in 1800 was gebouwd
door de toentertijd grootste Belgische orgelmaker Lambert van Peteghem (vgl.
Ulverhout, 1803), en dat in 1865 of 1866 is overgebracht naar Hooge Zwaluwe,
alleen nog het front over is. En dat nog niet eens kompleet, want het onderste
gedeelte is grotendeels vervangen en de frontpijpen zijn vernieuwd (1930). Dat
is het enige antieke en eventueel monumentale van heel het orgel."
Maar aan de andere kant: "Alles bijeen denk ik, dat het orgel toch de
moeite van een goede en eventueel niet te dure herstelbeurt wel waard is: de
klankopbouw (dispositie) is in beginsel zeer bruikbaar, de mechaniek is na
herstel erg betrouwbaar (mechanische trakuur)."
Toch restauratie
In 1985 werd de kerk op de provinciale monumentenlijst geplaatst, en daarmee
werd ook het orgel provinciaal subsidiabel.
In 1986 zag men herstel van het orgel helemaal zitten. Bij verschillende
orgelbouwers wordt een offerte aangevraagd. Uiteindelijk wordt besloten te
kiezen voor de offerte van M.C. Tiggelman orgelbouw b.v. te Zaltbommel. De
restauratie wordt geoffreerd voor fl. 22.056,65, exclusief orgelkas. De totale kosten
worden geschat op fl 30.000,-.
Op 21 oktober 1986 vraagt het kerkbestuur toestemming aan bisschop Ernst van
Breda voor herstel van het orgel. Een actiecomité is opgericht dat
goede mogelijkheden ziet in acties onder de parochianen en in subsidies van
diverse instanties.
De restauratie wordt goedgekeurd en behelst: volledig herstel van de
windlade, mechaniek reviseren, wandkanalen en balg luchtdicht maken, intonatie
zo goed mogelijk in orde maken.
De restauratie werd uitgevoerd door M.C. Tiggelman orgelbouw b.v. uit Zaltbommel in de jaren 1986-1988. De dispositie is hierbij ongewijzigd gebleven, maar de samenstelling van de mixtuur is
veranderd door het opschuiven en vervangen van een dertigtal pijpjes, zodat deze beter mengt in prestantenkoor en plenum.De
toonhoogte is weer op de oorspronkelijke 435 Hz gebracht.
Daarnaast heeft het orgel een achterwand en dak gekregen, en zijn alle panelen van de kas vervangen, dit in verband met houtworm. Timmerbedrijf H. Krijnen te Hooge Zwaluwe tekende voor deze werkzaamheden. Het beitswerk werd “in eigen beheer” verricht.
In april 1988 wordt het orgel feestelijk in gebruik genomen met medewerking
van het parochiekoor, het jeugdkoor van de muziekschool, het koor Nut en
Genoegen en de solisten Mevr. J Wijffels, fluitiste Annette van der Zandt en organisten
Jan Opschoor en Ton Stevens.
|